Beleidsvoorbereidend Onderzoek Inzake Ontwikkelingssamenwerking
door Kristien Verbrugghen
In uitvoering van de op 26 september 1994 door de VL.I.R. en Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking E. DERYCKE afgesloten overeenkomst m.b.t. beleidsvoorbereidend onderzoek inzake ontwikkelingssamenwerking (BVO), organiseerde de VL.I.R. in het voorjaar van 1995 de selectie van projecten voor BVO 1995. In dit artikel wordt uiteengezet hoe de selectie werd georganiseerd en wat het resultaat hiervan is. Dit artikel blikt tenslotte vooruit op 1996, het jaar waarin de Vlaamse universiteiten hun beleid van zwaartepuntvorming in het BVO vorm willen geven.
De procedure voor de selectie van projecten voor BVO 1995 bestond achtereenvolgens uit het bepalen van drie algemene en drie punctuele thema's, het lanceren van de oproep tot de Vlaamse universiteiten tot het indienen van voorstellen, het evalueren van de 16 ingediende projectvoorstellen door de bevoegde VL.I.R.-deskundigencommissie, het formuleren van het definitief VL.I.R.-advies, het bespreken van het VL.I.R.-advies door de Stuurgroep en de definitieve selectie van 8 projecten door de Staatssecretaris.
Op 26 september 1994 werd door de VL.I.R. een overeenkomst ondertekend met Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking E. DERYCKE m.b.t. de organisatie van het beleidsvoorbereidend onderzoek en de advisering op het vlak van ontwikkelingssamenwerking (BVO). Deze Overeenkomst regelt de bijdrage van de VL.I.R. tot de organisatie en uitvoering van wetenschappelijk onderzoek en studies die worden opgezet met het oog op de ondersteuning van het overheidsbeleid inzake ontwikkelingssamenwerking. Het doel is enerzijds het versterken van de analytische capaciteiten van het ABOS, en anderzijds het creëren binnen de universiteiten van kennis over de ontwikkelingsproblematiek waarop het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking een beroep kan doen.
Artikel 6 van bovenvermelde Overeenkomst stipuleert dat de Staatssecretaris, bij het begin van elk jaar, op voorstel van het ABOS en na raadpleging van de Stuurgroep "Beleidsvoorbereidend onderzoek" - die is samengesteld uit vertegenwoordigers van het Kabinet, het ABOS en de universiteiten -, de thema's voor BVO vastlegt. De IODEWE - Interuniversitaire Overlegstructuur Derde Wereld - richtte op vraag van de Stuurgroep op 22 december 1994 een schrijven tot alle Rectoren en tot alle leden van de IODEWE met de vraag voorstellen voor thema's voor BVO 1995 in te dienen vóór 16 januari 1995. Deze universitaire voorstellen werden, tezamen met de ABOS-voorstellen, door de Stuurgroep op 24 januari 1995 besproken, op basis waarvan de Stuurgroep een advies aan de Staatssecretaris formuleerde.
In navolging van de eerder door de Stuurgroep genomen beslissing om het aantal thema's enerzijds te beperken en anderzijds aan te houden gedurende twee à drie jaar, met het oog op het vergroten van de continuteit in het onderzoek en op een mogelijke taakverdeling tussen de Vlaamse universiteiten, werden drie algemene thema's geselecteerd : politiek-juridische dimensie van het ontwikkelingsstreven, armoedebestrijding en macro-economische dimensie van ontwikkeling. Daarnaast werden nog drie thema's bepaald voor kortlopend, punctueel onderzoek : wegtransport versus spoorwegvervoer in Afrika, universitaire ontwikkelingssamenwerking : een strategisch onderzoek, en twinning arrangements als vorm van ondersteuning van het onderwijs in derde-wereldlanden. Dit advies van de Stuurgroep werd door het ABOS aan de Staatssecretaris overgemaakt. Op 20 februari 1995 ontving de VL.I.R. van de Staatssecretaris de definitieve lijst met thema's voor BVO 1995. Deze lijst verschilde op één punt van het advies van de Stuurgroep : het thema "ecologie en duurzame ontwikkeling" dat aanvankelijk door de Stuurgroep, op aandringen van het ABOS, was afgevoerd, was nu tóch opgenomen als thema voor punctueel onderzoek.
De globale toelage voor BVO 1995 bedraagt minstens 15 miljoen BF. Hiervan is 1 miljoen BF bestemd als tussenkomst van het ABOS in de door de VL.I.R. gemaakte kosten naar aanleiding van de administratieve ondersteuning van het BVO. In maart 1995 werd door Staatssecretaris E. DERYCKE voorgesteld om van het bijkomend krediet van 100 mio BF toegekend aan universitaire ontwikkelingssamenwerking, 1 mio BF toe te voegen aan het budget voor BVO 1995. Hiervan zal 500 000 BF bestemd zijn voor punctueel advies búiten de BVO-thema's. Deze bijkomende uitgave moet echter nog door het nieuwe Parlement worden goedgekeurd. De Stuurgroep besliste bovendien reeds tijdens haar eerste vergadering op 20 december 1994 om, ter bekrachtiging van een eerder door de Staatssecretaris genomen beslissing, het lopend onderzoeksproject "Early warning systems" van Prof. R. DOOM (RUG) te verlengen op de kredieten voor BVO 1995, a rato van 825 000 BF. Het te verdelen budget voor BVO 1995 bedraagt derhalve minstens 13 175 000 BF, wellicht 13 675 000 BF. Ongeveer 80 % van dit budget is bestemd voor de financiering van onderzoeksprojecten kaderend in één van de algemene thema's; 20 % is voorbehouden voor onderzoek kaderend in één van de punctuele thema's.
Op 21 februari 1995 werden de Vlaamse universiteiten uitgenodigd om onderzoeksvoorstellen voor BVO 1995 bij de VL.I.R. in te dienen, uiterlijk op 3 april 1995. Onderzoeksvoorstellen dienden zoveel mogelijk te kaderen of in één van de algemene thema's of in één van de thema's voor punctueel onderzoek voor BVO 1995. Het stond de universiteiten echter ook vrij voorstellen in te dienen buiten de BVO-thema's; de kans dat deze voorstellen voor financiering zouden worden geselecteerd, was echter aanzienlijk veel kleiner dan voor de thema's die door de Staatssecretaris werden vooropgesteld. Zowel de VL.I.R. als de Staatssecretaris moedigden de Vlaamse universiteiten aan interuniversitaire projecten in te dienen.
Op 20 april 1995 werden de 16 ingediende projectvoorstellen voorgelegd aan de VL.I.R.-deskundigencommissie "Beleidsvoorbereidend onderzoek", die werd samengesteld uit leden uit de VL.I.R.-deskundigencommissies "Humane wetenschappen" en "Economische en toegepaste economische wetenschappen", de VL.I.R.-Werkgroep "Ontwikkelingssamenwerking" en de voormalige VL.I.R.-Stuurgroep "Beleidsvoorbereidend onderzoek". Aan de commissie werd gevraagd een prioriteitsrangschikking van de projectvoorstellen op te maken. Hiertoe heeft de commissie ondermeer gesprekken gevoerd met de promotoren van de projectvoorstellen. Hierbij dient aangestipt dat het in de bedoeling lag van het VL.I.R.-secretariaat om, op basis van de beoordeling van individuele projectvoorstellen en met het oog op het uitbouwen van een beleid van zwaartepuntvorming en interuniversitaire samenwerking, over te gaan tot het vormen van interuniversitaire projectgroepen. De commissie is het secretariaat hierin gevolgd voor wat het thema van armoedebestrijding betreft : het is een verdienste te noemen dat daags na de commissievergadering de promotoren van de drie weerhouden projecten rond het thema van armoedebestrijding zich principieel akkoord hebben verklaard tot het beter afstemmen op mekaar van elk van de drie projecten. Hiertoe werd door de promotoren een intentieverklaring opgesteld. Voor wat de overige thema's betreft, heeft de commissie de individuele projecten beoordeeld en naar prioriteit gerangschikt, zonder in dit stadium interuniversitaire samenwerking expliciet in de projecten in te bouwen. De commissie ging er echter wel mee akkoord dat in het licht van de voorbereiding van BVO 1996 zou worden nagedacht over hoe de indienings- en selectieprocedures zouden kunnen worden aangepast met het oog op het uitstippelen van een beleid van zwaartepuntvorming en interuniversitaire samenwerking. De VL.I.R. verklaarde zich op 4 mei 1995 akkoord met de door de deskundigencommissie opgestelde prioriteitsrangschikking.
Op 9 mei 1995 kwam de Stuurgroep opnieuw samen om, op basis van het VL.I.R.-advies, een gezamenlijk advies aan de Staatssecretaris te formuleren m.b.t. te financieren onderzoeksvoorstellen. Het VL.I.R.-advies werd op alle punten gevolgd, met uitzondering van het volgende : er werd beslist het project rond sociale clausules van Prof. D. VAN DEN BULCKE (RUCA) te verdagen naar de volgende indieningsronde omdat de vraag tot verlenging voorbarig was - het BVO 1994-project rond sociale clausules werd pas op 1 februari 1995 opgestart -, omdat de Stuurgroep de resultaten van het lopend onderzoek wou afwachten, en omdat de beleidsrelevantie voor het ABOS niet echt duidelijk was. Voorts werd beslist het interuniversitair project over universitaire ontwikkelingssamenwerking dat door de VL.I.R. zelf werd ingediend, wél op te nemen in de lijst van te financieren projecten, zonder het echter in de prioriteitsrangschikking op te nemen. Het project kreeg het label "buiten categorie". De Stuurgroep was het immers eens over de noodzaak om een moment van evaluatie in te bouwen in de huidige praktijk van universitaire ontwikkelingssamenwerking, gelet op de nieuwe Overeenkomst m.b.t. universitaire ontwikkelingssamenwerking die de Vlaamse universiteiten op het punt stonden af te sluiten met de Staatssecretaris. Het is echter wel de bedoeling dat tussen het VL.I.R.-project en het project van Prof. R. DEVISCH, dat dezelfde thematiek behandelt, een nauwe samenwerking en informatie-uitwisseling wordt gerealiseerd. Het advies van de Stuurgroep werd door het ABOS aan de Staatssecretaris overgemaakt.
Op 2 juni 1995 ontving de VL.I.R. het officieel schrijven van Staatssecretaris E. DERYCKE m.b.t. de definitieve selectie van onderzoeksprojecten voor BVO 1995. Met zijn selectie komt de Staatssecretaris tegemoet aan het advies dat de Stuurgroep hieromtrent had geformuleerd. De projecten zullen vermoedelijk in het najaar van 1995 worden opgestart.
Hierna volgt een overzicht van de BVO 1995-projecten.
O. VERLENGD BVO 1993-PROJECT
Early warning systems.
Prof. R. DOOM (RUG)
I. PRIORITAIRE THEMA'S
1. ARMOEDEBESTRIJDING
a. De integratie van de armoede-analyse bij het ontwikkelen en evalueren van projecten - Methode en gevalstudie
Prof. S. DERCON (K.U.Leuven)
b. Programma's voor armoedebestrijding in de informele sector
Prof. S. MARIJSSE (UFSIA)
c. Tegenwaardefondsen en armoedebestrijding - Lessen uit de praktijk
Prof. R. RENARD (RUCA)
2. POLITIEK-JURIDISCHE DIMENSIE
a. Jonge democratieën en de keuze tussen amnestie, truth commissions en repressie : Welke optie leidt tot politieke stabiliteit en conflictpreventie ?
Prof. L. HUYSE (K.U.Leuven)
b. Politieke stabiliteit en economische ontwikkeling
Prof. S. MARIJSSE (UFSIA)
II. PUNCTUELE THEMA'S
1. ECOLOGIE EN DUURZAME ONTWIKKELING
Op punt stellen van een computerprogramma voor de screening van projecten op hun milieu-effecten
Prof. L. HENS (VUB)
2. UNIVERSITAIRE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING : EEN STRATEGISCH ONDERZOEK
a. Universitaire ontwikkelingssamenwerking in Zuidelijk Afrika
Prof. R. DEVISCH (K.U.Leuven)
b. Strategisch onderzoek universitaire ontwikkelingssamenwerking
VL.I.R.-project
De VL.I.R. beoogt om in het kader van BVO 1996 een gedegen, interuniversitair beleid van zwaartepuntvorming in het BVO te concipiëren en te voeren, en hiermee de toon te zetten voor de komende jaren. Hiervoor rekent de VL.I.R. op de constructieve inbreng van de Vlaamse universiteiten, die recent werden verzocht hun concrete voorstellen voor thema's waarrond continu zwaartepuntonderzoek dient te worden uitgebouwd, aan de VL.I.R. over te maken.
De VL.I.R. heeft van bij het opstarten van het beleidsvoorbereidend onderzoek de noodzaak beklemtoond van het uitstippelen door de Vlaamse universiteiten van een beleid van zwaartepuntvorming in het BVO. De visie van de VL.I.R. op onderzoek dat gericht is op de voorbereiding van het overheidsbeleid inzake ontwikkelingssamenwerking kan alsvolgt worden samengevat:
Dat het de VL.I.R. ernst is wanneer aangedrongen wordt op gecoördineerde zwaartepuntvorming in het BVO, blijkt uit het op 16 juni 1995 door de VL.I.R. aan de Staatssecretaris voorgestelde meerjarenprogramma voor indirecte universitaire ontwikkelingssamenwerking. Een dergelijk meerjarenprogramma wordt vereist door de nieuwe Overeenkomst inzake universitaire ontwikkelingssamenwerking die onlangs tussen de VL.I.R. en de Staatssecretaris werd afgesloten. In dit meerjarenprogramma wordt voorzien dat het BVO-budget geleidelijk zou toenemen van 16 mio BF in 1995 tot 35 mio BF in 2000, op voorwaarde echter dat hier tegenover een duidelijk geconcipieerd interuniversitair beleid van zwaartepuntvorming rond een beperkt aantal thema's staat.
De Vlaamse universiteiten moeten zich derhalve beraden over het antwoord op de vraag rond welke thematieken zij continu zwaartepuntonderzoek in het BVO wensen uit te bouwen. Het antwoord op deze vraag hangt enerzijds samen met het Vlaams, universitair potentieel inzake ontwikkelingssamenwerking, i.e. er dient te worden nagegaan wie op dit ogenblik bezig is met ontwikkelingsrelevant onderzoek rond welke problematiek. Anderzijds hangt het antwoord samen met het beleid dat de Vlaamse universiteiten m.b.t. het BVO willen voeren en de eigen inspanningen die zij ervoor willen leveren. Bij het bepalen van de zwaartepunten dient voorts ook rekening te worden gehouden met het zwaartepuntonderzoek dat elders rond ontwikkelingssamenwerking wordt bedreven, ondermeer door de Franstalige universiteiten, alsook met de internationale agenda's en de actualiteit.
In de loop van de maand september 1995 zal de Stuurgroep "Beleidsvoorbereidend onderzoek" de voorbereidingen voor het BVO 1996 opstarten. Dit omvat in de eerste plaats het bepalen van de prioritaire thema's waarrond onderzoek zal worden uitgevoerd.
De Stuurgroep heeft in december 1994 beslist om, vanaf BVO 1995, jaarlijks slechts een beperkt aantal algemene thema's te selecteren, die gedurende een eerste periode van 2 à 3 jaar zouden worden behouden. Voor dit beperkt aantal algemene thema's zou ± 80 % van het beschikbare BVO-budget worden uitgetrokken; deresterende 20 % van het budget zou worden voorbehouden voor 1 of 2 punctuele thema's voor kortlopend onderzoek, die wel veranderlijk zouden zijn per jaar. Hierbij dient gewezen op het onderscheid tussen algemene en punctuele thema's. Algemene thema's zijn thema's die gedurende meerdere jaren worden aangehouden en die doorgaans vrij breed zullen worden gedefinieerd zodanig dat de mogelijkheid bestaat om op gezette tijden andere deelaspecten van eenzelfde problematiek te bestuderen. Punctuele thema's zijn thema's die jaarlijks zullen wijzigen. In het kader hiervan zal enerzijds kortlopend onderzoek worden verricht naar actuele en zeer specifieke problemen. Anderzijds zal via dit kanaal kortlopend onderzoek worden verricht om de relevantie van een bepaalde problematiek aan te kaarten, wat impliceert dat de mogelijkheid bestaat dat punctuele thema's kunnen uitgroeien tot zwaartepunten. Het onderzoek dat wordt verricht rond punctuele en algemene thema's is gericht resp. op beleidsconceptie en op beleidsvoorbereiding en -implementatie. De beslissing om het BVO aldus te organiseren, was een eerste aanzet tot het uitstippelen en voeren van een beleid van zwaartepuntvorming in het BVO.
Het ligt in de bedoeling van de VL.I.R. om in het kader van BVO 1996 een gedegen, interuniversitair beleid van zwaartepuntvorming in het BVO te concipiëëren en te voeren, en hiermee de toon te zetten voor de komende jaren. Hiervoor rekent de VL.I.R. op de constructieve inbreng van de Vlaamse universiteiten. Op 17 juli 1995 werden de Vlaamse universiteiten derhalve door de VL.I.R. uitgenodigd tot het formuleren van voorstellen voor prioritaire thema's voor BVO 1996, zowel voor algemene als voor punctuele thema's, uiterlijk op 11 september 1995. Deze voorstellen zullen door de VL.I.R. als input worden gebruikt om een interuniversitair beleid van zwaartepuntvorming in het BVO te ontwerpen.
Tenslotte dient vermeld dat de Stuurgroep, bij het formuleren van haar advies m.b.t. de thema's voor BVO 1996, de drie algemene thema's voor BVO 1995 - "politiek-juridische dimensie van het ontwikkelingsstreven", "armoedebestrijding", en "macro-economische dimensie van ontwikkeling" - weliswaar indien mogelijk zal trachten te behouden, maar deze toch slechts eerder als voorlopige opties zal beschouwen, gelet op het feit dat deze drie thema's met een minimum aan universitaire inbreng en in een zeer kort tijdsbestek werden bepaald.
Developer's Note: These pages were developed for use on the Netscape browser. Please address comments on content or style to Peter Ballantyne, Information Programme, ECDPM