SID Europe home
 
 
 
 

 

   

conclusies workshop 2: handel en ontwikkeling

nieuw paradigma over de wereldhandel

De ontwikkelde landen zouden iets meer aandacht moeten tonen voor de problemen die vrijhandel zal opleveren voor minder ontwikkelde landen. In veel arme landen ontbreekt de flexibiliteit om zich snel te kunnen aanpassen aan de eisen van de wereldmarkt. ‘Trade not Aid’, zou daarom vervangen moeten worden door ‘Trade and Aid’.

In juli 2004 werd bij de Wereldhandelsorganisatie WTO in Genève een raamakkoord gesloten in het kader van de Doha-ontwikkelingsronde. Het komende jaar zullen de landen die aangesloten zijn bij de WTO deze akkoorden verder moeten invullen. Het raamakkoord biedt kansen voor de arme landen om hun producten te kunnen verkopen op de Europese en Amerikaanse markten. Dat is goed nieuws. Er zit beweging in de houding van vooral Europa en de VS: zij bouwen de bescherming die ze hun boeren bieden langzaam af. Maar handelsliberalisering levert ook gevaren op. Immers zonder invoertarieven en andere manieren om de eigen markt te beschermen zullen goedkope producten uit het buitenland ook de markten van de ontwikkelingslanden kunnen bereiken. Het effect daarvan op de beginnende en kwetsbare eigen producenten laat zich raden. Voorzichtig onderhandelen is daarom geboden. Voor de verhouding tussen Europa en haar ontwikkelingspartners gaat het er vooral om dat de veranderingen die de WTO vraagt niet ten koste gaan van de gunstige voorzieningen die de voormalige Europese koloniën bedongen hebben tijdens onderhandelingen met de Europese Unie.

concurrentie

Er zijn grote veranderingen merkbaar in het debat over handel en ontwikkeling. Duidelijk is dat niet-wederzijdse handelspreferenties uit de mode zijn geraakt. Niet-wederzijdse preferenties stimuleren de arme landen onvoldoende om hun producenten bloot te stellen aan concurrentie. Door deze bescherming blijven de producenten zwak en leren ze niet te produceren voor de wereldmarkt. Daarnaast dreigen andere handelsbarrières de plaats in te nemen van de importtarieven: nieuwe eisen op het gebied van milieu en voedselveiligheid en dergelijke.

De beweging tot het integreren en op elkaar afstemmen van handelsbeleid gaat steeds dieper. Het gaat niet alleen meer om importtarieven en dergelijke, maar de roep om harmonisatie strekt zich uit tot alle beleidsonderdelen die op een of andere manier effect hebben op internationale competitie. Het gaat dan zowel om investeringsbeleid, om wetten omtrent intellectueel eigendom, om subsidiesystemen en om regels omtrent voedselveiligheid en milieueisen. Als direct gevolg van deze verbreding van het handelsdebat, eisen ook steeds meer belangengroepen inspraak in het debat of – minimaal – transparantie van de onderhandelingen. Het Cotonou Akkoord anticipeert op deze eisen en geeft een belangrijke rol aan de maatschappelijke organisaties – de civil society – van de Cotonou verdraglanden.

Handelsbeleid is een belangrijke factor bij het bereiken van economische ontwikkeling. Maar of handelsliberalisering de concurrentiekracht van nationale producenten versterkt hangt af van de kracht van de instituties in een samenleving, én of de samenleving er in slaagt om, indien nodig, de productiekrachten te verplaatsen van kansloze sectoren naar sectoren waar het land wel kan concurreren op de wereldmarkt. Volgens de klassieke economische leerstellingen is dat vooral een kwestie van goed functionerende interne markten die prijssignalen direct en duidelijk doorgeven aan producenten en consumenten. Als er op enkele plaatsen kinken in de kabel zitten, als dit proces minder dan optimaal functioneert, dan kan handelsliberalisering desastreus uitpakken. Lokale producenten zullen daarbij het loodje leggen en – erger! – nieuwe producenten niet zullen opstaan.

uitdaging

De uitdaging is daarom vooral gelegen in het versterken van de institutionele capaciteit van ontwikkelingslanden. De rol van ontwikkelingshulp hierin is essentieel en zal dat voorlopig blijven. Het oude adagium van ‘trade not aid’ dient vervangen te worden door ‘trade and aid’. Dat is precies de inzet van het Cotonou Akkoord. De beweging van niet-wederzijdse naar wederzijdse handelspreferenties mag een extra stimulans geven aan lokale producenten om te kunnen concurreren met buitenlandse aanbieders, feit is dat de handelsverhoudingen tussen ontwikkelingslanden en het Noorden niet symmetrisch zijn. Zoals de Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking zei: ‘De handel tussen ontwikkelde en onderontwikkelde landen is niet vrij en eerlijk.’

Het nieuwe Cotonou Akkoord legt ook meer nadruk op wederzijdse handelspreferenties. Volgens de Europese Unie zouden de nieuwe Economische Partnership Akkoorden (EPA’s) zich moeten richten naar de WTO-regels: namelijk het vrijmaken van alle handel binnen tien tot twaalf jaar. Veel ACP-landen vinden dat te ver gaan.

subsidies

In ieder geval is duidelijk dat de nieuwe wind van wederzijdsheid en de breedte van het handelsdebat steeds meer mensen raakt, zowel in de rijke landen als in de ontwikkelingslanden. Om handel en ontwikkeling meer in elkaar verlengde te brengen zouden in ieder geval de landbouwsubsidies hervormd moeten worden. En zolang dat niet is geregeld zouden producenten in ontwikkelingslanden beschermd moeten worden tegen de gesubsidieerde productie die hun weg vinden naar de wereldmarkt. Ontwikkelingslanden dienen bovendien in staat gesteld te worden hun eigen weg te vinden in het proces richting vrijhandel. Om arme landen de gelegenheid te geven mee te doen in de wereldeconomie is meer nodig dan hen te dwingen hun grenzen te openen. Ze moeten de mogelijkheden en de capaciteit hebben hun productie aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Dat betekent ten eerste dat de economische activiteiten relatief makkelijk moeten kunnen verplaatsen naar andere sectoren, als de markt dit vraagt. Ten tweede dat hun productiecapaciteit vergroot dient te worden. En ten derde dat zij de mogelijkheid moeten hebben of krijgen hun productie aan te passen aan de steeds strengere eisen van de wereldmarkt.

Er zijn concrete stappen die de EU zou moeten zetten. Ten eerste zou Europa zelf ernaar moeten streven te voldoen aan de WTO-eisen met name waar het betreft het afbouwen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ten tweede dient Europa flexibiliteit te betrachten bij de onderhandelingen over de Economische Partnerschap Akkoorden, vooral waar het betreft de overgang richting vrijhandel. En ten derde moet Europa een grote inspanning leveren om te helpen de productiecapaciteit van de ontwikkelingspartners te vergroten.

met dank aan de ncdo (nationale commissie voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling)


 SID Society for International Development
In partnership with EADI
This website is managed by  Euforictop