europese instituties niet voldoende afgestemd op coherent ontwikkelingsbeleid
De manier waarop de Europese instituties zijn opgebouwd is niet erg bevorderlijk voor ontwikkelingssamenwerking. Bovendien zijn er nieuwe inzichten in de ontwikkelingsdiscussie naar voren gekomen, die nog helemaal niet gereflecteerd worden in de institutionele architectuur. Donorcoördinatie en coherentie bijvoorbeeld...
De drie belangrijkste Europese instituties – de Raad van Ministers, het Parlement en de Commissie - zijn niet meer toegesneden op de nieuwe actualiteit van Europese ontwikkelingssamenwerking. De Ontwikkelingsraad is afgeschaft en opgegaan in de Raad van Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB). Dat lijkt een vooruitgang omdat het meer mogelijkheden veronderstelt tot coherentie tussen het Europees buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking. In de praktijk blijken ontwikkelingsthema’s in de RAZEB veruit ondergeschikt aan algemene buitenlandspolitieke onderwerpen.
Dat blijkt ook het geval in het Europees Parlement, van oudsher een goede bondgenoot van de ontwikkelingsgemeenschap. Het voorzitterschap van het Ontwikkelingscomité van het Parlement staat erg laag in de hiërarchie van gewilde functies.
De Europese Commissie is aan veel veranderingen onderhevig. Het belangrijkste gegeven is de onnatuurlijke opsplitsing tussen ontwikkelingsbeleid enerzijds en externe relaties anderzijds, waardoor verschillende werelddelen niet onder één Eurocommissaris vallen. Dat zal hersteld worden onder de nieuwe Grondwet, waarna een superminister van Externe Relaties zowel de ontwikkelingssamenwerking als buitenlandse zaken onder zich zal hebben.
donorcoördinatie
Ook aan de andere kant van het ontwikkelingshulpspectrum is een grote versnippering te zien. Er zijn inmiddels negentig bilaterale hulporganisaties, waarvan een groot deel afkomstig uit Europa. In veertig jaar is er geen enkele organisatie afgevallen, en zijn er veel bij gekomen. Dat leidt tot een bijna onoverkomelijke werklast bij de ontvangers van de hulp, die – een enkele uitzondering als India daargelaten – niet in staat zijn de donoren te dwingen tot verdergaande coördinatie van hun procedures en bezoeken. De EU zou veel meer een gemeenschappelijke vuist moeten maken en de eigen lidstaten en andere landen moeten dwingen tot een uniforme benadering van de ontwikkelingslanden.
Die vuist maakt de EU in de praktijk ook niet als het gaat om de beleidsbepaling in de Wereldbank en IMF. De grote lijnen, ook wat betreft de ontwikkelingslanden, worden uitgezet tijdens de G8-bijeenkomsten, waar de EU als zodanig geen stem heeft. Zo werd ondermeer het HIPC-schuldeninitiatief vorm gegeven zonder dat de Europese Commissie daarmee van doen had.
coherentie
Beleidscoherentie – het op elkaar afstemmen van ontwikkelingssamenwerking en andere vormen van buitenlands beleid, liefst rekening houdend met de belangen van ontwikkelingslanden – vereist meer samenhang op Europees niveau. Maar het moet niet ten koste gaan van de inbreng van de zuidelijke landen. De grotere daadkracht die door meer coherentie tot stand komt, kan ook leiden tot grote verschillen in macht. Er zijn bijvoorbeeld vorderingen gemaakt door het instellen van de Country Strategy Papers (CSP’s), die als gemeenschappelijke leidraad dienen voor de westelijke donoren, zodat niet iedereen zijn eigen analyse op een ontwikkelingsland loslaat en daar beleid op gaat maken. In de praktijk blijkt het hier echter vooral te gaan om tussen donoren onderling bepaalde strategieën, waarbij de ontvangende landen zelf nauwelijks betrokken zijn. Ook worden de maatschappelijke organisaties en de particuliere sector niet vanzelfsprekend gehoord.
Een aantal hervormingen in de Europese institutionele architectuur moeten worden overwogen om het Europese ontwikkelingsbeleid effectiever te maken:
- het opnieuw instellen van de Raad voor ministers van Ontwikkelingssamenwerking
- het opheffen van de splitsing tussen het Directoraat-Generaal Ontwikkeling en dat van Externe Relaties en één Commissaris die verantwoordelijk wordt voor alles wat op het terrein van ontwikkelingssamenwerking door de Europese Commissie wordt gedaan
- het onderbrengen van het Europese ontwikkelingsfonds in de algemene begroting van de Commissie, waardoor het Europees Parlement er meer over te zeggen heeft
- er zou een EU waarnemer (iemand van de Europese Commissie of de voorzitter van de EU) bij IMF en Wereldbank moeten zijn, zodat er een directere relatie komt tussen Europa en het multilaterale hulpsysteem
- er zou meer gezamenlijk strategisch gedacht moeten worden over de houding die de EU aanneemt naar de internationale instituties, zoals de VN en de Bretton Woods instellingen, om de internationale rol van de EU te versterken
 |
|
met dank aan de ncdo (nationale commissie voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling)