europees ontwikkelingsbeleid moet vernieuwd worden
Europa staat op een kruispunt in de verhouding met de rest van de wereld. Europa kan rechtsomkeert maken op het pad van internationale samenwerking. Maar het is beter een nieuwe weg in te slaan. De drastische en dramatische veranderingen van de laatste jaren in de wereld vragen daarom. Een ruimhartig, efficiënt en coherent Europees ontwikkelingsbeleid is nodig, als onlosmakelijk onderdeel van het Europese buitenlands en veiligheidsbeleid. Tegenover de eenzijdige oplossingen die worden opgedrongen door het blind staren op terrorismebestrijding, zou een alternatief Europees model moeten worden aangeboden, waarin vrijheid, mensenrechten, rechtvaardigheid en duurzaamheid net zo belangrijk zijn als vrede en veiligheid.
Over dergelijke doelstellingen kan lang gediscussieerd te worden. Maar nog belangrijker is de vraag hoe je ze kunt bereiken. Daarover gaat de conferentie ‘Europe and the South: A New Era - European Development Cooperation: towards policy renewal and a new commitment’.
Aan de conferentie nemen meer dan 250 internationale deskundigen en opinieleiders op het terrein van ontwikkelingssamenwerking en buitenlands beleid deel: politici, wetenschappers, beleidsmakers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties uit Europa en daarbuiten. In een zevental meerdaagse workshops zullen zij een reeks concrete actiepunten opstellen, die worden voorgelegd aan de relevante organisaties en verantwoordelijke politici. Onder de gasten zijn – naast de meest vooraanstaande wetenschappers op hun respectievelijke terreinen - ook een aantal toonaangevende mensen in de internationale ontwikkelingsgemeenschap: Agnes van Ardenne (minister voor Ontwikkelingssamenwerking), Zephirin Diabre (tweede man van het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP), Leonardo Santos Simão (minister van Buitenlandse Zaken van Mozambique), Poul Nielson (uitgaande Eurocommissaris Ontwikkelingssamenwerking) en Tom Kitt (minister van Buitenlandse Zaken van Ierland).
Om te kunnen bepalen welke richting het Europese buitenlands en ontwikkelingsbeleid zal inslaan, moet een reeks vragen worden beantwoord: Welke positie kiest de Europese Unie tegenover de Amerikaanse hegemonie in de wereld? Komt er een zelfstandig Europees veiligheidsbeleid? Hoe verenigt de EU haar buitenlandse ambities met de belangen van arme landen? Richt zij haar ontwikkelingshulp op de allerarmste landen in Afrika, Azië en Latijns Amerika of op de iets minder arme landen aan de randen van Europa? Zal het Europese ontwikkelingsbeleid nog meer ondergeschikt worden gemaakt aan politieke, economische en militaire overwegingen van de EU-lidstaten? Of kan het tij gekeerd worden en lukt het Europa een krachtig en vernieuwend stempel te zetten op de mondiale verhoudingen, waarbij voldoende aandacht wordt gegeven aan de belangen van ontwikkelingslanden?
Deze en andere relevante vragen liggen ten grondslag aan een meer gedetailleerde invulling van het Europese buitenlandse en ontwikkelingsbeleid. Zij kunnen alleen beantwoord worden in de context van snel veranderde internationale verhoudingen.
veiligheid of armoede
Het aanzien van de wereld is in korte tijd aanzienlijk gewijzigd, en van Europa misschien nog wel meer. Vijftien jaar geleden stonden oost en west-Europa nog lijnrecht tegenover elkaar, nu zijn de twee grote ‘veldwachters’ verdwenen en werken de voormalige Oostbloklanden samen in en met de Europese Unie. Hevige conflicten binnen de Europese grenzen (voormalig Joegoslavië, de Kaukasus), er vlak naast (Centraal-Azië, Midden Oosten) en verder weg (Afrika, Azië) zijn uitgebroken en lijken voorlopig nog niet voorbij. Op economisch terrein zijn de grenzen de afgelopen jaren in hoog tempo geslecht en wordt hard gewerkt aan verdergaande handelsverbanden. Maar het meest ingrijpend was ‘11 september’, waarmee diepe onderliggende spanningen en tegenstellingen in de wereld naar buiten kwamen. Sindsdien wordt de agenda bepaald door de strijd tegen terreur, door (vermeende) religieuze en culturele tegenstellingen, door een nadruk op veiligheid. Door angst. Amerika heeft definitief de leiding genomen, de Europese landen volgen, morrend en twijfelend en onderling bakkeleiend. Maar de onstabiele situatie in Irak laat zien dat militaire macht niet genoeg is: zonder overtuigingskracht, kennis van wederopbouwprocessen, respect voor mensenrechten en culturele eigenheid en het bieden van concrete democratische en economische vooruitzichten zal zelfs het grootste imperium vroeg of laat het onderspit delven.
Een totaal nieuwe situatie, die nieuwe antwoorden vraagt. Dat kan het antwoord zijn dat nu overheerst; de westerse landen hebben de onbedwingbare neiging vooral naar binnen te kijken en het eigen korte termijn belang te laten prevaleren. Het liefst sluiten zij de grenzen om de boze buitenwereld te vergeten. Maar ook een andere houding is mogelijk: om de wereldwijde spanningen het hoofd te bieden zou juist meer dan ooit aandacht besteed moeten worden aan die buitenwereld, en dan vooral aan de positie van ontwikkelingslanden. Armoede, uitsluiting en culturele verdrukking van mensen in ontwikkelingslanden staan aan de bron van veel van de huidige conflicten. En de groeiende transport- en communicatiemogelijkheden zorgen ervoor dat die conflicten hoe dan ook hun ‘uitstraling’ hebben naar Nederland en Europa.
Europa – de Europese Unie – is een belangrijk vehikel om de internationale situatie het hoofd te bieden. Samen staan we sterk is geen loze leus: het morele of zelfs praktische gelijk van Nederland – als we dat al hebben - wordt helaas veel minder gehoord dan het kleinste zuchtje van de Europese Unie. De belangrijkste dossiers die – veel meer dan de ontwikkelingshulp als zodanig – van invloed zijn op ontwikkelingslanden (handel, landbouw) zijn al lang overgeheveld naar Brussel. En we zitten in een periode waarin de Europese Unie en de Europese Commissie een aantal cruciale besluiten moet nemen, die bepalen waar we over een aantal jaren staan. Deze maanden vormen zelfs een uniek historisch moment voor Nederland: we zijn EU-voorzitter net nadat de EU – met de toetreding van tien nieuwe lidstaten – is uitgegroeid tot de grootste economische macht ter wereld. Tegelijkertijd treedt een nieuwe Commissie aan waarin de ‘buitenlandtaken’ versterkt en opnieuw verdeeld worden en gaat een nieuw Europees Parlement aan het werk. Er komt een Europese Grondwet waarin belangrijke morele en praktische uitgangspunten voor het buitenlands beleid worden vastgelegd. Er is nu ook ‘momentum’ om de Europese koers de goede weg te laten inslaan: Nederland wordt als EU-voorzitter de komende jaren opgevolgd door Luxemburg, Groot-Brittannië, Oostenrijk en Finland. Landen die op het gebied van Ontwikkelingssamenwerking als ‘gelijkdenkend’ kunnen worden beschouwd.
Grofweg zijn er twee scenario’s mogelijk. Het eerste daarvan is het meest positieve voor ontwikkelingslanden: Europa slaat een nieuwe weg in en gaat met één stem spreken op het terrein van buitenlands en ontwikkelingsbeleid, ondersteund door een krachtig en efficiënt apparaat. Niet alleen het korte termijn Europees eigenbelang staat daarin centraal, maar ook dat van ontwikkelingslanden. Een groter deel van de hulpbudgetten wordt op Europees niveau gecoördineerd, het Europese ontwikkelingsbeleid en dat van de lidstaten beter op elkaar afgestemd en de Europese hulp meer op de armere landen gericht. De armste landen krijgen meer handelsconcessies, landen in het zuiden die vluchtelingen opvangen meer steun.
Het alternatief is verbrokkeling of een kortzichtige focus op de eigen belangen. Als iedere Europese lidstaat zich inspant om, ten koste van de andere lidstaten en van de arme landen, zoveel mogelijk binnen te halen, zullen slechts meer conflicten ontstaan. De groeiende onderlinge afhankelijkheid die globalisering met zich meebrengt, maakt een ‘Alleingang’ eenvoudigweg onmogelijk. De ratrace is niet te winnen, alle ratten zullen elkaar uiteindelijk opeten. Ook een gezamenlijk streven gericht op Europees economisch voordeel of de Europese veiligheidsbelangen is te eenzijdig: ontwikkelingslanden leggen zich niet meer neer bij oneerlijke handelsafspraken; armoede en groeiende ongelijkheid in de wereld zijn weliswaar niet direct de oorzaak van terrorisme, ze vormen wel een vruchtbare voedingsbodem.
Het beste antwoord is dus een coherent en daadkrachtig Europees beleid gericht op het verminderen van de armoede in de hele wereld. Onlosmakelijk daaraan gekoppeld is de versterking van de internationale rechtsorde: we moeten bouwen aan wereldwijde organisatievormen die de rechten van de zwakkeren veel beter beschermen.
Op dit moment heerst in Nederland niet alleen euroscepsis, maar ook een groeiende vermoeidheid over de resultaten van ontwikkelingssamenwerking. Die belemmeren voor veel mensen het zicht op wat er wél bereikt en veranderd is. Er is nog steeds kritiek te leveren op het Europese ontwikkelingsbeleid: de miljarden euro’s aan ‘stuwmeren’ bijvoorbeeld die door politieke en economische prioriteiten van Europese lidstaten niet kunnen worden uitgegeven; of het feit dat bij de tien landen die het meest ontwikkelingshulp krijgen van de EU geen enkel land uit Sub-Sahara Afrika zit. Maar juist daar liggen enorme mogelijkheden tot verbetering en meer resultaten. Daar komt bij dat er wel degelijk een grondig vernieuwingsproces op gang gekomen is. Er is een totaal herzien ontwikkelingsbeleid dat, net als Nederland al vele jaren doet, armoedebestrijding centraal stelt. De Europese Commissie heeft zich gereorganiseerd en veel van het ontwikkelingswerk gedecentraliseerd.
Een aantal belangrijke uitdagingen ligt nog voor ons. Het is de vraag of de handelsliberalisering in het kader van de WTO zich zal voortzetten. De grote tegenstellingen in dat verband vragen om een doortastend en vernieuwend Europees antwoord, dat de economische belangen van Europa weet te verzoenen met een idee van wereldwijde rechtvaardigheid. We moeten een nieuwe verhouding zoeken tot de naaste buren van de EU (Centraal-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika), waarbij moet worden voorkomen dat veiligheidskwesties de armoedebestrijding in de verdrukking brengen en dat de verhouding dichtbij-veraf nog schever komt te liggen. We moeten antwoord geven op de vraag wat het ‘comparatief voordeel’ van de EU is ten opzichte van bilateraal ontwikkelingsbeleid of andere multilaterale instituties: naast het schaalvoordeel en de grotere politieke macht is dat bijvoorbeeld de grote ervaring met regionale integratie. We moeten zorgen dat een nieuwe ‘Europese minister van Buitenlandse Zaken’ voldoende gevoed wordt over het ontwikkelingsbeleid en de belangen van de armste landen (in bijvoorbeeld sub Sahara Afrika). We moeten erop toezien dat de herinrichting van de Europese Commissie en de besluitvormingsprocedures een grotere samenhang en efficiëntie garanderen.
Om dit te bereiken helpt het niet met de rug naar Europa te gaan staan. Dan helpt alleen een actieve opstelling. Een belangrijk element daarvan is het stimuleren van Europese netwerken. Van wetenschappers, beleidsmakers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en vooral ook van politici. Op de conferentie in Den Haag wordt het fundament gelegd voor een netwerk van Europese parlementariërs - zowel van nationale parlementen als van het Europese – die zich inzetten voor een krachtig Europees buitenlands beleid met veel oog voor de belangen van de armen in deze wereld. De conferentiegangers zullen een reeks concrete actiepunten aandragen voor een nieuw beleid. Een beleid dat niet ondergeschikt is aan politieke, economische en militaire overwegingen van de EU-lidstaten of van andere bondgenoten. Een beleid dat Europa in staat stelt een krachtig en vernieuwend stempel te zetten op de mondiale verhoudingen.